Twee apparaten verbinden
De problemen rond de RS-232 verbinding ontstaan vooral doordat de standaard bedoeld is voor de verbinding van een data-terminal met een modem. Meestal echter wordt de verbinding gebruikt om twee data-terminals te verbinden, bijvoorbeeld een computer met een andere computer, of een computer met een printer of plotter, etc. Om erachter te komen hoe de verbinding gemaakt moet worden, is het noodzakelijk te weten hoe de RS-232 standaard op elk van de twee apparaten geïmplementeerd is. Het belangrijkste is te weten, of een apparaat als DTE of als DCE gebouwd werd. Dit bepaalt welke signalen op de interface een ingang zijn, en welke signalen een uitgang zijn. Wanneer dit is uitgezocht, weet U in ieder geval hoe de datalijnen aangesloten moeten worden (TxD en RxD gewoon doorverbonden of verwisseld.) Daarna dient te worden onderzocht welke betekenis de beide apparaten hechten aan de handshake lijnen. Zo heeft een printer een beperkt invoerbuffer. Als dit buffer vol is, mag de computer geen verdere tekens meer sturen. Het zou logisch zijn wanneer de printer in zo'n geval de CTS lijn inactief zou maken. Maar het kan ook best zijn dat de printer hiervoor de DTR lijn gebruikt. Een simpel recept dat altijd tot succes leidt is dus niet te geven.
Seriëel datatransport
De data wordt op de seriële verbinding bit- voor bit overgebracht. Daartoe wordt elk databyte 'ingepakt' in een z.g. dataframe. Als er geen datatransport is, is de datalijn een '1' (op de RS-232 interface lijn staat dan een negatieve spanning.) Zodra een byte getransporteerd moet worden, wordt het dataframe bit- voor bit op de lijn gezet. Dit frame
ziet er als volgt uit:

Het frame is opgebouwd uit een 'startbit', daarna volgen de databits, en het frame wordt afgesloten met een 'stopbit'.
Baudrate
De bits worden met een bepaalde snelheid één- voor één op de datalijn gezet. De snelheid waarmee dit gebeurt heet de 'Baudrate'. Gebruikelijke snelheden zijn 300, 600, 1200, 2400, 4800, 9600, 19.200, 38.400,
57.600 en 115 kBaud.
Startbit en stopbit
Het startbit is altijd een '0', en dient voor het activeren van de ontvanger. Een lijn waarop geen data wordt getransporteerd is altijd een '1', en de eerste '0' (het startbit) geeft aan dat er een databyte aan komt.
Stopbits zijn altijd een '1', en dienen om de ontvanger de gelegenheid te geven het ontvangen databyte te verwerken.
In sommige gevallen kan een seriële interface worden ingesteld op 1, 1½ of 2 stopbits. Dit betekent dat de 'rust' na een databyte de tijdsduur heeft van 1 bit, van 1½ keer de tijd die voor één bit nodig is, of voor tweemaal deze tijd.
Databits en pariteit
Zoals uit een vorige les bekend is, heeft de ASCII codering van de letters, cijfers en leestekens, maar 7 bits per teken. Voor het oversturen van tekst is het dus voldoende om 7 bits per teken over te brengen. Maar wanneer data moet worden verstuurd zal dit meestal in bytes gebeuren, waardoor 8 bits per teken nodig zijn. Vaak kan ingesteld worden hoeveel bits tegelijk verzonden moeten worden.
Voor de betrouwbaarheid van de verbinding wordt soms aan elk teken een pariteitsbit toegevoegd. Uit de waarde van dit bit kan worden afgeleid of het teken waarschijnlijk correct ontvangen is, of dat één of meer van de bits in het teken verminkt werden tijdens het transport. Vaak is in te stellen of er sprake moet zijn van even, oneven, of geen pariteit.
|